zondag 8 april 2018

AWD - maart 2018

Maart is meestal een overgangsmaand. 
Wintergasten houden het voor gezien, zomergasten komen aarzelend weer naar onze streken terug.
Ook al ben ik deze maand maar een paar keer de AWD ingetrokken, de oogst aan bijzondere momenten viel mij alleszins mee.

Zoals bekend zijn de platen in de vergroting een stuk mooier (even op de foto klikken).
Begin maart was het nog winters, hier en daar lag ijs.
Sommige futen (Podiceps cristatus) hadden al hun zomerse verenpak, deze fuut hechtte nog aan zijn winterkleding.
Brilduikers (Bucephala clangulazag ik zowel aan het begin als aan het eind van de maand.
Deze dame had nog geen lentekriebels, maar aan het eind van de maand begonnen de hormonen bij de mannetjes flink op te spelen zoals aan hun baltsgedrag goed te zien was.
De laatste grote zaagbekken (Mergus merganser) zag ik begin maart.
De afgelopen wintermaanden heb ik er beduidend minder gezien dan de jaren ervoor.
Nonnetjes (Mergellus albellusbleven gewoontegetrouw op een veel te grote afstand naar mijn zin, 
ook toen ik mij een tijd verdekt had opgesteld langs de oever.
Eén keer zat het mee, en kon ik er voor mijn doen behoorlijk dichtbij komen. 
In een gedeelte van het kanaal dat niet was dichtgevroren kreeg ik zowaar een kansje, als was het maar voor even.
Zo gauw ik achter de begroeiing voorzichtig tevoorschijn kwam zwommen ze verder.
De krooneenden (Netta rufinastelden de ijsvloer wel op prijs. 
Een veilige plek om te rusten en weer eens wat anders dan een rustplaats in het riet.
Hier is slechts een fractie van de groep te zien, die uit zeker zo'n 30 stuks bestond.
"Hoofdschuddend" bekeek dit mannetje de omgeving, waardoor zijn kop wat vreemd op zijn romp leek te staan..
Zo kennen we hem natuurlijk beter.
Heel af en toe zie ik wel eens een grote zilverreiger (Ardea alba) in het duingebied.
Meestal is dat tijdens wat strengere winters dan dit jaar.
Oplettend was hij wel, maar hij bood mij redelijke kansen. 
Een stapje te veel had wel tot gevolg dat hij een stukje verder liep of vloog .
Op een zonnige ochtend zag ik enkele kwikstaarten toen ik op weg was om te zien of de waterspreeuw al vertrokken was naar het Noorden.
Tot mijn verrassing waren het rouwkwikstaarten (Motacilla alba yarrellii), een ondersoort van de witte kwikstaart.
De rug en borst zijn een stuk donkerder dan bij de gewone witte kwikstaarten.
Ze trekken in het voorjaar langs de kust.
Tot mijn verrassing was de waterspreeuw (Cinclus cincluser nog steeds. 
Als ik in de buurt was ging ik steeds even buurten.
Naar later bleek, was het "Time to say goodbye".
Ik zag hem voor het laatst op 20 maart, echt de laatste dag van de winter.
Hij werd er nog enkele dagen waargenomen, maar inmiddels is hij na een verblijf van ruim 3 maanden naar zijn  zomerverblijf vertrokken.
Een bezoekje aan reeën breng ik over het algemeen één keer per maand.
Nadat ik een poosje gekeken had hoe deze reegeit (Capreolus capreolus) op haar gemak aan het eten was, 
waarbij ze af en toe naar mij keek, 
ging zij op een beschut plekje in de zon liggen.
Ze vond het prima dat ik een paar plaatjes van haar maakte.
Ze keek mij rustig na toen ik weer verder ging.
"Je kan je niet vroeg genoeg op de bronst voorbereiden" zullen deze damherten (Dama dama) gedacht hebben.
De hiërarchie in de groep moet voor alle heren wel duidelijk zijn.
Nadat een van de twee de ander op zijn plaats gewezen had werd hij opnieuw uitgedaagd.
Zij hadden mij natuurlijk gezien, maar dat interesseerde hen absoluut niet.
Ook de andere mannen, zeker zo'n 25 stuks, keken niet op of om.
Op 30 maart kreeg ik nog een onverwacht toetje.
Tijdens de wintermaanden had ik vrij vaak een klapekster (Lanius excubitor) gezien, enkele keren zelfs van onverwacht kleine afstand.
Ik trof het opnieuw, want de vogel bood mij onverwacht veel ruimte.
Op een dag dat er verder niet veel bijzonders waar te nemen was, was dit het absolute hoogtepunt en bovendien een prachtige afsluiting van de maand maart.


zondag 1 april 2018

Goudappeltjes






Goudappeltjes

Op 9 maart jl. ben ik met een kennis naar een observatiehut in Vledder geweest.

Twee soorten die ik daar heel graag wilde zien waren de goudvink en de appelvink.









We werden op onze wenken bediend. Van dichtbij konden we ruim 10 soorten vogels van dichtbij bekijken, de een wat mooier en beter dan de ander. In deze post beperk ik mij tot de twee genoemde soorten. Andere soorten zoals geelgors, sijsje, roodborst, grote bonte specht, boomklever, keep, groenling, merel, koolmees, vink en pimpelmees komen op een ander tijdstip een keer aan bod.

Appelvinken (Coccothraustes coccothraustes) had ik nog nooit in het wild gezien.
We waren nauwelijks geïnstalleerd of er landde al een appelvink vlak voor ons.
We zaten achter glas en waren daarbij nagenoeg onzichtbaar voor de vogels.
Bij het fotograferen door glas verlies je één stop.
Ik heb er geen last van gehad.
Uit het vijvertje werd door allerlei soorten gedronken, terwijl een aantal vogels het ook een ideale plek vond om er uitgebreid in bad te gaan.
Op een gegeven moment waren er acht appelvinken druk bezig met eten, drinken, in bad gaan of andere vogels wegjagen.
Plotseling landde een goudvink (Pyrrhyla phyrhula) aan de waterkant.
Hij kwam alleen, leste zijn dorst en was even later al weer vertrokken.
Na een tijdje keerde hij terug, opnieuw zonder vrouwtje.
Goudvinken heb ik in Nederland zelden gezien, maar in de vorige eeuw wel in Finland.
Ze zijn daar populair rond de Kerst, hun afbeelding staat vaak op kerstkaarten.
De Finse naam punatulkku geeft de naam beter weer dan goudvink.
Puna betekent namelijk rood.
Voor mij was deze vogel een van de hoogtepunten van de dag.
Terug naar de appelvinken.
Het is geen verrassing dat er tussen de bezoekers af en toe een op het idee kwam om eens lekker in bad te gaan.
Natuurlijk werd de omgeving in de gaten gehouden, maar ze hielden er wel van om uitgebreid de tijd te nemen voor hun opfrisbeurt.
Schitterend als de vogels op hooguit 2 meter van je verwijderd zitten en je ze ongestoord op de plaat kan zetten.
Het was vooral een appelvinken-mannenwereld, maar de vrouwen ontbraken niet.
Qua verenpak zijn zij wat minder uitbundig dan de mannen:

De badscènes hadden nog mooier kunnen zijn als er wat minder stengels en takken op de  achtergrond te zien waren,
maar dat ligt misschien wel aan het jaargetijde.
We moesten het hiermee doen.
Lekker spetteren, maar tegelijkertijd de ogen boven water houden.
Nog even uitschudden en daarna opdrogen in de zon.
Ze kwamen zo dichtbij dat ik wat meer had moeten uitzoomen dan ik al had gedaan.
De vogel staat er mooi op, maar een beetje meer ruimte had wel gekund.
Het zal wel duidelijk zijn dat ik met deze twee soorten volledig aan mijn trekken gekomen ben.
Dat gold ook voor een aantal andere soorten.
Voordat ik daarvan wat zal laten zien komt eerst mijn maandoverzicht van maart met de daarbij behorende hoogtepunten.