Maart is meestal een overgangsmaand.
Wintergasten houden het voor gezien, zomergasten komen aarzelend weer naar onze streken terug.
Ook al ben ik deze maand maar een paar keer de AWD ingetrokken, de oogst aan bijzondere momenten viel mij alleszins mee.
Zoals bekend zijn de platen in de vergroting een stuk mooier (even op de foto klikken).
Begin maart was het nog winters, hier en daar lag ijs.
Sommige futen (Podiceps cristatus) hadden al hun zomerse verenpak, deze fuut hechtte nog aan zijn winterkleding.
Brilduikers (Bucephala clangula) zag ik zowel aan het begin als aan het eind van de maand.
Deze dame had nog geen lentekriebels, maar aan het eind van de maand begonnen de hormonen bij de mannetjes flink op te spelen zoals aan hun baltsgedrag goed te zien was.
De laatste grote zaagbekken (Mergus merganser) zag ik begin maart.
De afgelopen wintermaanden heb ik er beduidend minder gezien dan de jaren ervoor.
Nonnetjes (Mergellus albellus) bleven gewoontegetrouw op een veel te grote afstand naar mijn zin,
ook toen ik mij een tijd verdekt had opgesteld langs de oever.
Eén keer zat het mee, en kon ik er voor mijn doen behoorlijk dichtbij komen.
In een gedeelte van het kanaal dat niet was dichtgevroren kreeg ik zowaar een kansje, als was het maar voor even.
Zo gauw ik achter de begroeiing voorzichtig tevoorschijn kwam zwommen ze verder.
De krooneenden (Netta rufina) stelden de ijsvloer wel op prijs.
Een veilige plek om te rusten en weer eens wat anders dan een rustplaats in het riet.
Hier is slechts een fractie van de groep te zien, die uit zeker zo'n 30 stuks bestond.
"Hoofdschuddend" bekeek dit mannetje de omgeving, waardoor zijn kop wat vreemd op zijn romp leek te staan..
Zo kennen we hem natuurlijk beter.
Heel af en toe zie ik wel eens een grote zilverreiger (Ardea alba) in het duingebied.
Meestal is dat tijdens wat strengere winters dan dit jaar.
Oplettend was hij wel, maar hij bood mij redelijke kansen.
Een stapje te veel had wel tot gevolg dat hij een stukje verder liep of vloog .
Op een zonnige ochtend zag ik enkele kwikstaarten toen ik op weg was om te zien of de waterspreeuw al vertrokken was naar het Noorden.
Tot mijn verrassing waren het rouwkwikstaarten (Motacilla alba yarrellii), een ondersoort van de witte kwikstaart.
De rug en borst zijn een stuk donkerder dan bij de gewone witte kwikstaarten.
Ze trekken in het voorjaar langs de kust.
Tot mijn verrassing was de waterspreeuw (Cinclus cinclus) er nog steeds.
Als ik in de buurt was ging ik steeds even buurten.
Naar later bleek, was het "Time to say goodbye".
Ik zag hem voor het laatst op 20 maart, echt de laatste dag van de winter.
Hij werd er nog enkele dagen waargenomen, maar inmiddels is hij na een verblijf van ruim 3 maanden naar zijn zomerverblijf vertrokken.
Een bezoekje aan reeën breng ik over het algemeen één keer per maand.
Nadat ik een poosje gekeken had hoe deze reegeit (Capreolus capreolus) op haar gemak aan het eten was,
waarbij ze af en toe naar mij keek,
ging zij op een beschut plekje in de zon liggen.
Ze vond het prima dat ik een paar plaatjes van haar maakte.
Ze keek mij rustig na toen ik weer verder ging.
"Je kan je niet vroeg genoeg op de bronst voorbereiden" zullen deze damherten (Dama dama) gedacht hebben.
De hiërarchie in de groep moet voor alle heren wel duidelijk zijn.
Nadat een van de twee de ander op zijn plaats gewezen had werd hij opnieuw uitgedaagd.
Zij hadden mij natuurlijk gezien, maar dat interesseerde hen absoluut niet.
Ook de andere mannen, zeker zo'n 25 stuks, keken niet op of om.
Op 30 maart kreeg ik nog een onverwacht toetje.
Tijdens de wintermaanden had ik vrij vaak een klapekster (Lanius excubitor) gezien, enkele keren zelfs van onverwacht kleine afstand.
Ik trof het opnieuw, want de vogel bood mij onverwacht veel ruimte.
Op een dag dat er verder niet veel bijzonders waar te nemen was, was dit het absolute hoogtepunt en bovendien een prachtige afsluiting van de maand maart.






































