dinsdag 28 augustus 2018

Geleedpotigen

Als dieren koudbloedig zijn en een uitwendig skelet hebben spreken we van geleedpotigen (Anthropoda). 
Twee groepen dieren die we hierbij kunnen onderscheiden zijn insecten (zespotigen) en spinachtigen (achtpotigen).

Het eerste insect dat ik hier laat zien is een grote groene sabelsprinkhaan (Tettigonia viridissima), en wel een mannetje.
Toen de zon nog maar nauwelijks op was zag ik hem aan een pitrusstengel hangen.
Eigenlijk moet dit beeld staand zijn, maar ik vind het liggend mooier.

Het loont de moeite om de beelden in de vergroting te bekijken.
Als de lightbox in Google niet werkt, helpt het om Firefox te downloaden en dan mijn blog te bekijken.
De lightbox werkt daar wel.


Het is lastig om hem compleet op de plaat te krijgen omdat je rekening moet houden met de voelsprieten.
Hij was traag deze morgen, want de zon had nog geen kans gehad om hem op te warmen.
Dat maakte het dan voor mij weer makkelijk, omdat hij er niet snel vandoor ging.
Aandacht genoeg gehad, op naar de volgende.
Veldsprinkhanen (Acrididaezijn er nogal wat.
Hoe deze precies heet weet ik niet.
Opvallend zijn de tamelijk korte voelsprieten.
Een struiksprinkhaan (Leptophyus punctatissimavalt juist weer op door zijn lange voelsprieten.
In werkelijkheid hield hij zich aan de stengel vast, maar dan wel met de kop omlaag.
Opnieuw vind ik de liggende plaat mooier dan de staande.
Dit is duidelijk een vrouwtje.
De legbuis is het opvallende kenmerk om tot deze conclusie te komen.
Een interessante ontmoeting had ik met een grote rupsendoder (Ammophila sabulosa), ook een vertegenwoordiger van de insecten.
Hij had een rups gevangen en had deze net over de verharde weg naar de berm gesleept.
Hier had hij de berm bereikt, vandaar de rommelige ondergrond.
Ik heb alle platen met mijn telelens moeten maken, dus gedetailleerder dan dit wordt het niet.
Hij sleepte de rups een paar meter over de voor de rupsendoder zeer geaccidenteerde grond.
Ik verbaas mij er steeds weer over hoeveel relatief kleine dieren kunnen verslepen.
Hij hield soms even pauze.
 Toen hij weer verder wilde gaan zat hij een ogenblik als een cowboy te paard.
Toen hij zijn hol bereikt had maakte hij de ingang vrij.
Vervolgens werd de rups naar binnen getrokken het hol in.
Uiteindelijk zal de rups als voedsel dienen voor de larven van de rups.
De gewone strekspin (Tetragnatha extensa) behoort tot de spinachtigen.
Ik vind dat de spin mooi uitkomt tegen de achtergrond, waarbij het water van een kanaaltje doorschemert.
Door het tegenlicht en een iets ander standpunt krijg je een grilliger achtergrond, die vooral wat drukker is.
Het is maar net waar je van houdt.
Zo kan het ook.
De poten zijn behoorlijk lang voor zo'n spinnetje.
En dan, hoe kan het ook anders, ook aandacht voor de tijgerspin, ook wel wespspin (Argiope bruennichi) genoemd.
Deze wielwebspin maakt een mooi zigzagweb.
Dit is trouwens een vrouwtje, mannetjes zijn vele malen kleiner  en  daardoor minder opvallend.
Een juffer, volgens mij een bruine winterjuffer (Sympecma fusca), is ten prooi gevallen aan de tijgerspin.
Een tijgerspin rustig hangend aan een draad van zijn web is over het algemeen goed op de plaat te krijgen,
al moet je wel goed op de achtergrond en lastige sprieten letten.
Het is niet eenvoudig om een onderscheidende plaat van deze spin te maken.
Voor mij geldt dit wel als een goed voorbeeld daarvan, waar ik best tevreden mee ben.
Ik heb er dit jaar teleurstellend weinig gezien, slechts vier.
Op een plek waar ik er jaren terug veel meer zag is gemaaid toen de cocons al verborgen tussen pitrus stengels hingen.
Alles was daarna verdwenen, ook de cocons, en het jaar daarna was er helaas geen tijgerspin meer te vinden.
Het laatste insect dat ik hier wil laten zien is een opvallende gast:
een harkwesp (Bembix rostrata).
In juli was het eenvoudig om ze in een veld vol Jacobskruiskruid te vinden en te volgen.
Ook al zijn ze vrij groot, gevaarlijk zijn ze absoluut niet.
Aan de poten hebben ze grote, stugge haren waarmee deze graafwespen een hol in het zand graven.
Hierbij harken ze het zand als het ware weg.
Harkwespen worden als zeldzaam gekwalificeerd.
De kenmerkende grote groene ogen zijn op de laatste plaat goed te zien.
Tot zo ver deze verschillende geleedpotigen.

De volgende keer komen vlinders (een andere categorie insecten) aan bod, wellicht ook deze:

dinsdag 21 augustus 2018

AWD - juli 2018 vogels en zoogdieren

Ondanks het feit dat de maand juli erg warm en droog was, was er nog genoeg te zien als je de heetste momenten van de dag wist te vermijden.
Dit maandoverzicht licht al een flinke tip van de sluiter op.

De witte kwikstaart (Motacilla alba) bijvoorbeeld had 's morgens om ca. half 7 een plaatsje uitgekozen op een brugleuning.

Het loont de moeite om de beelden in de vergroting te bekijken.
Als de lightbox in Google niet werkt, helpt het om Firefox te downloaden en dan mijn blog te bekijken.
De lightbox werkt daar wel.


Zichtbaar tevreden dat ik hem wilde fotograferen maakte hij een buiging voor mij zodat ik een wat minder doorsnee plaatje kon maken.
Nog een laatste  zonder de opwaaiende borstveertjes zoals op het eerste beeld.
Enkele boompiepers (Anthus trivialis) waren die morgen ook al vroeg op.
Eén groepslid wilde wel een tijdje rustig blijven zitten, in tegenstelling tot de anderen van zijn gezelschap.
Blauwe reigers heb ik de laatste tijd vrij vaak voor mijn lens gekregen.
Deze ontmoeting  leverde een plaat op waar ik zeer tevreden mee ben.
Opmerkelijk vond ik de broedende fuut (Podiceps cristatus).
Omdat ik in dit kanaal dit jaar geen jonge futen heb gezien is de kans groot dat dit geen tweede leg is maar een nogal verlaat eerste broedsel.
Omdat ik dit een bijzonder moment vond krijgt ook de partner  hier wat aandacht.
Ik had gehoopt meer plaatjes te kunnen schieten van een putter (Carduelis carduelis) op uitgebloeide distels.
Helaas is dat er niet van gekomen.
Deze aalscholver had een rustige plek uitgekozen om zijn vleugels te drogen, een flink eind verwijderd van de aalscholverkolonie.
Hij bood mij de kans om weer eens een plaatje te maken van een vliegende aalscholver.
Op een andere morgen zag ik hem weer, op zijn favoriete stek.
Hij zat hier óf enorm te gapen óf er schoot hem iets erg grappigs te binnen.
Een voor mij bijzonder verrassende verschijning in de AWD, nog nooit eerder daar gezien.
Een zwanenbloem (Butomus umbulletus) in een vennetje op Groot Zwarteveld.
Tot nu toe had ik die alleen nog in polders gezien.
Een paar dagen later wilde ik er zo mogelijk een mooiere plaat van maken, maar ..... weg was hij.
Alles wat restte waren twee kale stengels, de rest was overduidelijk opgevreten door damherten.
Ik was daar niet blij mee.
Nu snap ik wel dat in tijden van droogte en voedselschaarste ook damherten willen eten.
Zij houden nu ook rietkragen kort, voor zo ver ze erbij kunnen.
Ook boomblaadjes moeten eraan geloven, zelfs als de herten er behoorlijk wat moeite voor moeten doen.
De damherten veroorzaken nogal wat schade omdat ze alles wegvreten waar ze bij kunnen, als ze het tenminste lusten.
We mogen onze ogen hier niet voor sluiten als de discussie over het aantal herten in de AWD weer oplaait.
De diversiteit van alles wat groeit en bloeit in de AWD staat ernstig op de tocht naar mijn mening.
Over hazen zal de discussie niet snel gaan, want je ziet er maar af en toe een.
Konijntjes doen het in sommige delen van het duingebied heel goed, ook al vindt men het totaal aantal in dit duingebied nog wat aan de magere kant.
Als je aanwezigheid geaccepteerd of niet opgemerkt wordt kan je ze op je gemak bekijken en fotograferen.
Door ze voorzichtig te besluipen kan je er soms behoorlijk dichtbij komen, zelfs al lig je niet in dekking.
Het zal overigens wel een vreemd gezicht zijn als je een volwassen vent een konijntje ziet besluipen.
Damhertkalfjes  blijven leuk om te zien.
Ze groeien als kool en zijn al een flink stuk groter dan in begin juni.
Als moeder even alleen wil zijn is er al gauw een oppas gevonden.
Weer eens wat anders dan de gebruikelijk moeder-kind plaat.
Ze houden er wel van om een goed zicht op de omgeving te hebben, met voldoende mogelijkheden om er vandoor te gaan.
Op een hele stille, vroege morgen stond ik een keer plotseling oog in oog met een reegeit.
Door de hoge varens langs het bochtige pad waren we beiden zo afgeschermd dat we elkaars aanwezigheid niet hadden opgemerkt.
Ineens stonden we tegenover elkaar, met maar een paar meter afstand tussen ons.
Zij reageerde sneller dan ik, zij was in een oogwenk verdwenen.
Gelukkig voor mij stond ze iets verderop nog aan de bosrand.
Later die ochtend zag ik haar weer.
Wat een schoonheid.
Ze aarzelde een paar tellen op het pad, keek mij even aan, en verdween toen tussen de varens.

Het gaat niet goed met de reeën in de AWD.
Bij een laatste telling werden er nog maar 9 geteld, volgens het Haarlems Dagblad van 14 juli.
Het hek om de AWD speelt hierbij ongetwijfeld een grote rol, naast natuurlijk verloop. 
Er kunnen geen reeën van buitenaf het gebied meer binnen, zoals ik ook een keer gezien heb.
Een schitterende reebok deed een vergeefse  poging en ging toen onverrichter zake weer terug naar de omringende weilanden.
De ecobruggen tussen de Amsterdamse Waterleidingduinen en Nationaal Park Zuid-Kennemerland zullen in de toekomst nieuwe aanwas mogelijk moeten maken, maar dat zal pas op zijn vroegst vanaf 2020 kunnen gaan gebeuren.
De hekken op de ecobruggen zullen dan mogelijk worden verwijderd, afhankelijk van het damhertenbestand in de AWD.
Zou het een idee zijn om een aantal reeën uit gebieden met een grote populatie over te brengen naar de AWD?

Ik had er die morgen 2 gezien, dus ik mocht mijn handen nog dichtknijpen.
Het bleef wel bij een eenmalige ontmoeting.
En dan was er zelfs nog een egel, een dier dat je maar zelden tegenkomt in dit gebied.
De temperatuur was toen nog aangenaam, het egeltje na een nachtelijke trektocht ongetwijfeld onderweg naar een geschikte plek om de hitte van de dag zo goed mogelijk te ontlopen.
Ik had geluk dat er langs het pad een greppel was.
Vlug kroop ik daarin weg en kreeg zo de kans om de egel vanuit een mooi laag standpunt te kunnen fotograferen.
Hij had geen haast en sukkelde rustig naar de andere berm.
Daar kwam hij tussen tamelijk hoge grassen onder bomen terecht.
Geen plaatjes meer voor mij, maar vast wel een passende omgeving om een aangename rustplaats te vinden.